Bezoeken over en weer

- foto: Koniklijke Musea voor Schone KunstenFoto: Toerisme Belgie
"WENEN - BRUSSEL : DIPLOMATIEKE NOTITIES"
Rudolf Agstner
Precies 200 jaar geleden verloor Oostenrijk in de Vrede van Campo Formio van 17 oktober 1797 – in ruil voor Venetië – de enige Habsburgse Nederlanden van het revolutionaire Frankrijk. Op het Congres van Wenen in 1815 werden de gebieden verenigd met de Nederlanden tot het “Koninkrijk der Nederlanden”. In 1830 kwam het tot de Revolutie in Brussel, tot verkiezingen voor een wetgevende Belgische nationale zitting en tot een scheiding van de Nederlanden. De Oostenrijkse staatskanselier Metternich was niet opgetogen over de revolutionair ontstane nieuwe staat. Keizer Franz I ratificeerde het Londons tractaat van de vijf Machten met België, dat ondertekend was door zijn gezant in Den Haag, Freiherr von Wessenberg, op 15 november 1931. Dit traktaat bepaalt de onafhankelijkheid van de nieuwe staat pas op 18 april 1832, en weliswaar zodanig, “dat men mijn naam niet kan lezen”.
Van 1833 tot 1839 was Oostenrijk in Brussel slechts vertegenwoordigd door een zaakgelastigde; het “Ballhausplatz” wou een akkoord afwachten over de verdeling van Luxemburg tussen de Nederlandse koning – tevens groothertog van Luxemburg – en de Belgische koning. In het Protocol van Londen van 19 april 1839 verzekerden Frankrijk, Groot-Brittannië, de Nederlanden, Oostenrijk, Pruisen en Rusland de onafhankelijkheid en neutraliteit van België, dat vergroot was met een groot deel van Luxemburg. Slechts nadat de Nederlanden een gezant in Brussel aangeloofd hadden, stuurde ook Metternich in de herfst van 1839 een k.k. gezant naar België, Moritz Graf von Dietrichstein.
De Oostenrijks-Hongaarse gezant die het langst in dienst was in Brussel, was Bohuslav Graf Chotek van Chotkowa en Wognin, die de monarchie van 1872 tot 1888 vertegenwoordigde aan het Belgische Koningshof. Daar vond op 7 maart 1880 het verlovingsfeest plaats van kroonprins Rudolf (1858-1889) met prinses Stephanie van België (1864-1945) in de wintertuin van het paleis te Laken bij Brussel. Dit werd herbouwd in 1781 door de keizerlijke stadhouder Albert von Sachsen-Teschen. Prinses Stephanie van België was de tweede dochter van Leopold II, Koning der Belgien van 1865 tot 1909, en koningin Marie Henriëtte (1836-1902), een tante in de tweede graad van Keizer Franz Josef, die in 1853 als Oostenrijkse aartshertogin de toenmalige kroonprins der Belgen huwde. Het huwelijk tussen Rudolf en Stephanie eindigde in de tragedie van Mayerling. Ook een ander Belgisch-Oostenrijks huwelijk eindigde in een catastrofe : Aartshertog Ferdinand Maximiliaan huwde in 1857 met Marie Charlotte, dochter van de eerste Koning der Belgien, Leopold I; als keizer Maximiliaan van Mexico kende hij een tragisch einde, zijn echtgenote “Carlota” werd waanzinnig. In ieder geval ondertekende Oostenrijk-Hongarije, dat helemaal geen interesse had voor Afrika, de Akte van Congo in 1885, waardoor het bezit van Congo gewaarborgd werd aan Leopold II.
De gezant, graaf Chotek, kon niet vermoeden dat zijn dochter Sophie op 1 juli 1900 zou trouwen met de troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand en daardoor de rol zou innemen die onder gunstigere auspiciën zou zijn toegestaan aan de Belgische prinses Stephanie.
Onder graaf Chotek bevond zich de vertegenwoordiging in de Montoyerstraat. Deze werd in 1889 door gezant Rudolf Graf Khevenhüller-Metsch ondergebracht in een prachtig stadspaleis van barones Overschie in de Zinnerstraat 2, dat nog tijdens de Oostenrijkse periode in 1780 gebouwd werd. In 1902 werd het huis verkocht en de vertegenwoordiging vestigde zich voorlopig voor enkele maanden in de Kunstlaan 34. Het prachtig huis in de Zinnerstraat, gelegen aan het park van het Koninklijk Paleis, is sedert 1947 eigendom van de USA en sedert 1953 de residentie van de ambassadeur van de Verenigde Staten in Brussel.
In 1903 huurde de k.u.k. vertegenwoordiging van gravin de Villegas de Clercamp een paleis met stallingen, garages en een nieuw gebouwd kantoorcomplex in de Montoyerstraat 24, dat tot in 1918 gebruikt werd door de k.u.k. diplomatie, vandaag evenwel niet meer bestaat.
Wat in 1880 zo hoopvol begon door “dynastieke verbinding” tussen Oostenrijk en België, zou in de zomer van 1914 onherstelbaar eindigen. Er volgde de Duitse aanval op het neutrale België. De latere k.u.k. Minister van Buitenlandse Zaken, Ottokar Graf Czernin, bestempelde deze in zijn memoires als “onze grootste tegenslag”. Op 21 augustus 1914 rukten Duitse troepen Brussel binnen. De Belgische regering had zich teruggetrokken naar Antwerpen op 19 augustus. De laatste Oostenrijks-Hongaarse gezant, graaf Clary, volgde deze niet, maar ging naar Den Haag. Van daaruit informeerde hij op 28 augustus de Belgische Minister van Buitenlandse Zaken, dat Oostenrijk-Hongarije de diplomatieke betrekkingen zou verbreken en zich in staat van oorlog met België beschouwde. 75 jaar eerder had Oostenrijk de soevereiniteit en neutraliteit van België gegarandeerd en nu werd uit trouw aan het verbond met het Duitse Rijk de oorlog verklaard aan België onder onzinnige voorwendsels. Clary droeg de bescherming van de vertegenwoordiging en van de consulaten in Brussel, Gent en Luik over aan de gezant van de USA en reisde op 29 augustus naar Keulen. Een ambtenaar van de kanselarij bleef in Brussel voor het beschermen van de archieven.
Als de Duitse troepen bij de bezetting van de vesting in Antwerpen geen succes boekten, boden k.u.k. Skoda-mortieren hulp – Antwerpen kwam ten val op 8 oktober 1914. Een koepel van de vesting is thans tentoongesteld in het Weens Krijgsmuseum – een herinnering aan droevige tijden in de geschiedenis van de wederzijdse betrekkingen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bevond gezantschapsraad Georg Franckenstein zich in Brussel als “k.u.k. Oostenrijks-Hongaarse Commissaris bij de keizerlijk-Duitse General-Government in België”. Hij installeerde zich in het verweesde paleis van het k.u.k. gezantschap, aangezien hij belang hechtte aan “een waardig kantoor, des te meer omdat de heren van de Duitse administratie… in de zogenaamde prachtige ruimten van de verschillende ministeriële paleizen hun ambt uitoefenen…” Wanneer zich in oktober 1918 het nabije einde aftekende, werd de bescherming van de Oostenrijks-Hongaarse belangen toevertrouwd aan het Spaanse gezantschap.
Tijdens de eerste republiek vergenoegde Oostenrijk zich in Brussel met een honorair consulaat-generaal en met een honorair consulaat in Antwerpen; de diplomatieke betrekkingen werden vanuit Den Haag waargenomen.
Na de Tweede Wereldoorlog beging het Ballhausplatz niet meer dezelfde fout, namelijk niet aanwezig te zijn in België. Nadat in januari 1946 “politieke vertegenwoordigingen” in de hoofdsteden van de zegemachten opgericht waren, gaf de Geallieerde Raad op 25.4.1946 toestemming voor een dergelijke vertegenwoordiging in Brussel; de huidige Ambassade in Brussel behoort aldus tot de tien oudste van de tweede republiek. Op 2 mei 1946 kwam Lothar Wimmer als gezant naar Brussel en vestigde zich voorlopig in het hotel Astoria. Al spoedig werden diplomatieke betekkingen opgenomen; op 17 april 1947 overhandigde Wimmer zijn geloofsbrieven als Oostenrijkse gezant aan de Belgische regent Prins Charles. Het gezantschap verloor spoedig het hotel Astoria en vestigde zich op de ter Kamerenboslaan 12. In 1953 verhuisde het naar de Molièrelaan 97 en in 1960 naar de Klauwaartslaan 35-36. In de loop der jaren werden Oostenrijkse consulaten opgericht in Antwerpen, Charleroi, Eupen, Gent, Luik en Oostende.
In 1964 betrok de inmiddels tot de Ambassade behorende Missie het huis in de Abdijstraat 47. Dit is evenwel vlug veel te klein geworden, aangezien aldaar ook de Waarnemingsmissie bij de WEU en het Verbindingsbureau tot de NAVO werden ondergebracht. In 1996 verhuisde de Ambassade daarom nogmaals, en wel naar de 15de verdieping van de “Bastion Tower” op het Marsveldplein.
Tenslotte een lijst van alle Oostenrijkse ambassadeurs in België sinds 1947:
Minister Dr. Lothar Wimmer, 1946 - 1950
GTai Dr. Kurt Farbowsky, 1950
Minister Dr. Felix Orsini-Rosenberg, 1950 - 1953
Ambassadeur Dr. Martin Fuchs, 1953 - 1958
Ambassadeur Dr. Ernst Lemberger , 1958 - 1963
Ambassadeur Dr. Wilhelm Goertz, 1963 - 1965
Ambassadeur Dr. Johanna Monschein, 1965 - 1968
Ambassadeur Dr. Kurt Farbowsky, 1968 - 1977
Ambassadeur Dr. Johannes Willfort, 1977 - 1981
Ambassadeur Dr. Franz Ceska, 1982 - 1988
Ambassadeur Dr. Heinz Weinberger, 1988 - 1993
Ambassadeur Dr. Erich Hochleitner, 1993 - 1995
Ambassadeur Dr. Wilfried Lang, 1996 - 1999+
Ambassadeur Dr. Thomas Mayr-Harting, 1999 - 2003
Ambassadeur Dr. Franz Cede, 2003-2007
Ambassadeur Dr. Karl Schramek, sinds 2008
